BEWEGINGSWETENSCHAP

Beweging is meer
dan één gewricht

Reiken, tillen, duwen en roteren komen niet alleen uit het schoudergewricht. Bovenarm, schouderblad, sleutelbeen en romp dragen bij — en hun bijdrage verandert met de taak.

GECOÖRDINEERD

Meerdere lichaamssegmenten dragen bij

VARIABEL

Geen twee herhalingen zijn mechanisch identiek

TAAKAFHANKELIJK

Richting, bereik en ondersteuning veranderen de oplossing

SENSORISCH

Positie en beweging worden waargenomen én geproduceerd

MECHANISCH

Massa, versnelling en hefboomarmen beïnvloeden de belasting

ONDERZOEKBAAR

Gedefinieerde instellingen maken betere onderzoeksvragen mogelijk

01 — EEN BEWEGEND SYSTEEM

Het kogelgewricht is slechts een deel van het geheel.

Het heffen van de arm combineert beweging in het schoudergewricht met beweging van schouderblad en sleutelbeen.

Deze relatie wordt vaak scapulohumeraal ritme genoemd. Dat is een nuttig concept, maar geen vaste metronoom. De bijdrage verandert gedurende de beweging en met de taak.

Er bestaat geen universele verhouding die voor iedere persoon en iedere taak de ‘juiste’ beweging definieert.

DE SCHOUDER UITGELEGD

De arm heffen is een gecoördineerde beweging.

Bovenarm, schouderblad en sleutelbeen leveren ieder een bijdrage. Die bijdrage verandert gedurende de beweging en met de taak.

1

Bovenarm en schoudergewricht

De bovenarm beweegt in het kogelgewricht van de schouder, ook wel het glenohumerale gewricht genoemd.

Illustratie van de bovenarm die in het schoudergewricht beweegt.
2

Schouderblad

Het schouderblad, of de scapula, roteert omhoog en glijdt over de ribbenkast.

Illustratie van het schouderblad dat omhoog draait en over de ribbenkast glijdt.
3

Sleutelbeen

Ook het sleutelbeen, of de clavicula, beweegt via zijn verbindingen met schouder en borstkas.

Illustratie van het sleutelbeen dat beweegt wanneer de arm wordt geheven.
4

Gecombineerde beweging

Bovenarm, schouderblad en sleutelbeen werken samen om de arm te heffen.

Illustratie die laat zien hoe bovenarm, schouderblad en sleutelbeen samenwerken om de arm te heffen.

Er is geen vaste ‘juiste’ verhouding. De bijdrage van elk onderdeel verandert met bereik, snelheid, belasting, ondersteuning en de individuele gebruiker.

02 — DE VOLLEDIGE TAAK

De romp verandert het bewegingsvraagstuk.

De uitgangspositie van de arm wordt beïnvloed door het lichaam eronder.

Het schouderblad beweegt over de thorax, waardoor de romppositie de uitgangsgeometrie verandert. Reikafstand kan veranderen hoe arm en romp een taak onderling verdelen.

Dit betekent niet dat ieder schouderprobleem in de rug begint of dat één houding universeel juist is.

03 — INFORMATIE & VARIATIE

Beweging wordt waargenomen én geproduceerd.

Controle is afhankelijk van informatie uit zicht, tast, spieren, pezen en gewrichten. Dit omvat proprioceptie: het lichaamsgevoel voor positie, richting, snelheid en weerstand, dat niet alleen van het zicht afhangt.

Een herhaalde beweging is herkenbaar, maar niet identiek. Variatie moet in context worden beoordeeld; het is niet automatisch een fout.

Of PlyoDyne waarneming, leren of klinische uitkomsten verandert, blijft een onderzoeksvraag.

04 — DE TAAK VORMGEVEN

Verander één variabele en
het bewegingsvraagstuk verandert.

01

Richting

De richting waarin de handgreep moet bewegen.

02

Bereik

Hoe ver de trainingsas neigt en hoe ver de handgreep erlangs beweegt — twee afzonderlijke bewegingsvariabelen.

03

Ondersteuning

Of de trainingsas vrij beweegt, in bereik wordt begrensd of op de Range Control Ring rust.

04

Positie & rotatie

Waar de hand zich ten opzichte van de as bevindt en hoe de vormgesloten gekoppelde eenheid roteert.

05

Toegevoegde massa

Welke gewichten op de gewichtshandgreep zijn geplaatst.

06

Snelheid & versnelling

Hoe snel de beweging verandert.

Deze variabelen beïnvloeden elkaar. Een groter bereik bij hogere snelheid en dezelfde toegevoegde massa is niet dezelfde mechanische taak.

05 — TRAININGSKENMERKEN

Zeven kenmerken.
Eén samenhangende taak.

1. BEWEGINGSCONTROLE & BASIS

Balans

Het beheersen van de relatie tussen het lichaam, ondersteuning en een veranderende bewegingstaak.

Coördinatie

Het organiseren van richting, timing en bijdrage over verbonden lichaamssegmenten. Het volgen van de bewegende hand kan daarnaast visuele coördinatie en coördinatie van hoofd en bovenste romp toevoegen.

Elasticiteit

Het geleidelijk ontwikkelen van elastische en reactieve beweging via gecoördineerde biomechanische ketens.

Stabiliteit

Controle behouden terwijl richting, bereik, ondersteuning of externe belasting verandert.

2. PRESTATIEONTWIKKELING

Kracht

Kracht ontwikkelen door beweging, inclusief overgangen tussen afremmen en versnellen.

Snelheid

De bewegingssnelheid doelgericht veranderen terwijl de beoogde bewegingskwaliteit behouden blijft.

Uithoudingsvermogen

Een passende bewegingstaak volhouden over herhaalde inspanningen of langere werkperioden.

De PlyoDyne-methodiek gebruikt zeven functionele trainingskenmerken. Het zijn geen zeven geïsoleerde machinefuncties: meerdere kenmerken kunnen in dezelfde beweging aanwezig zijn.

Richting, bewegingsbereik, ondersteuning, toegevoegde massa en snelheid kunnen stapsgewijs worden aangepast. De passende combinatie hangt af van de persoon, het doel en — waar relevant — het oordeel van een gekwalificeerde professional.

1

Bewegingscontrole & basis

Balans, coördinatie, elasticiteit en stabiliteit beschrijven verschillende aspecten van bewegingscontrole. Ze kunnen binnen één taak worden gecombineerd en op het individuele doel worden afgestemd.

2

Prestatieontwikkeling

Kracht, snelheid en uithoudingsvermogen beschrijven prestatiegerichte belastingen die kunnen worden verkend nadat een passend uitgangspunt is vastgesteld. Toepassing en progressie hangen af van de persoon en de taak.

De zeven kenmerken zijn onderling verbonden. Een PlyoDyne® oefening of trainingsprogramma kan er één of meerdere tegelijk aanspreken, afhankelijk van het doel, de instelling en de persoon.

06 — VIER TYPISCHE FASEN

Een kader voor progressie,
geen vast protocol.

De oorspronkelijke methodiek groepeert de zeven kenmerken in vier typische fasen. Progressie verloopt niet automatisch of voor iedere gebruiker hetzelfde; fasen kunnen overlappen en de taak moet worden aangepast aan persoon en doel.

FASE 1

Basis

Balans · Coördinatie · Elasticiteit · Stabiliteit

Stel de bewegingstaak vast en verken de controle voordat de externe belasting wordt verhoogd.

FASE 2

Kracht

Progressieve kracht

Verhoog de krachtbelasting door doelgerichte veranderingen in massa, versnelling, bereik en hefboomwerking.

FASE 3

Snelheid

Versnelling · Afremming

Verhoog de bewegingssnelheid alleen wanneer de gekozen taak nog steeds met de beoogde controle kan worden uitgevoerd.

FASE 4

Uithoudingsvermogen & integratie

Langdurige combinaties

Combineer de kenmerken over herhaalde of langere inspanningen volgens het individuele doel.

07 — MASSA & BELASTING

Een kleine gewichtsverandering is nauwkeurig — maar vertelt niet het hele verhaal over de krachtbelasting.

MASSA

Combinaties van toegevoegde massa beginnen bij 25 g.

KRACHT

Hangt ook af van versnelling en zwaartekracht.

MOMENT

Hangt af van kracht en afstand tot een as.

ROTATIETRAAGHEID

Hangt af van de verdeling van de massa.

PIJN VERANDERT DE VRAAG

Pijn is reëel en persoonlijk en wordt niet alleen door beweging verklaard.

Een zichtbaar bewegingspatroon identificeert op zichzelf niet de oorzaak en bepaalt niet automatisch de juiste aanpak. Als een gecontroleerde bewegingstaak voor u relevant is, bespreek dit dan met een gekwalificeerde zorgprofessional.

Stuur geen medische dossiers of gedetailleerde persoonlijke gezondheidsinformatie. iQQuip kan geen diagnose stellen of individueel medisch advies geven.

VAN WETENSCHAP NAAR HET SYSTEEM

Een gedefinieerde omgeving
voor een open vraag.

PlyoDyne structureert externe bewegingsvariabelen. Het schrijft geen juist bewegingspatroon voor en bewijst geen klinische uitkomst.

Professioneel kader